|
Een waanzinnige respons
Wie had dat verwacht? Toen mijn uitgever hoorde dat ik boek wilde schrijven over mechanismen bij beeldvorming over het Midden-Oosten, kon hij zijn teleurstelling moeilijk verbergen. Mechanismen. Beeldvorming. Midden-Oosten. Ooit een lekker boek gelezen over de media? En hoeveel boeken verschijnen er niet over het Midden-Oosten? Drie jaar later was Het zijn net mensen (HZNM) af en nog steeds kan ik nauwelijks geloven wat er daarna gebeurde. Tweehonderdduizend exemplaren verkocht, twee prijzen, Journalist van het Jaar. Een stroom aanvragen voor lezingen, een debat met hoofdredacteuren dat in een flits was uitverkocht, de zaal bomvol jonge mensen. Uitnodigingen uit allerlei landen, een handvol vertalingen. Ik dacht een boek te hebben geschreven voor collega’s. Naar mijn indruk worstelen alle journalisten bij de vergaring en weergave van informatie met een zestal dilemma’s. Er blijft allereerst heel veel buiten beeld, omdat het geen nieuws is of omdat je niet bij de informatie kunt. Wat in beeld komt, is vervolgens vaak iets anders dan het lijkt, omdat de politiek of de cultuur daar heel anders in elkaar zit dan hier. Berichtgeving is ook vaak gemanipuleerd omdat strijdende partijen in staat blijken de kwetsbaarheden van de nieuwsindustrie uit te buiten. Berichtgeving is partijdig omdat sommige partijen beter manipuleren dan andere, omdat bij conflicten neutrale termen vaak niet bestaan, en omdat je in de keuze voor onderwerp en invalshoek altijd moet kiezen. Tenslotte is berichtgeving versimpeld omdat ruimte altijd beperkt is, omdat je geen of weinig achtergrondkennis bij je publiek kan veronderstellen en omdat het publiek in meerderheid liever zelfverheerlijkend dan zelfkritisch nieuws tot zich neemt. Dan zijn tv beelden ook nog altijd onvolledig, terwijl een boel fenomenen zich überhaupt niet of nauwelijks in beelden laten vatten. Dit zijn de mechanismen waar ik tegenaan liep in vijf jaar correspondentschap, en naar goed poldergebruik hoopte ik deze met mijn boek ‘bespreekbaar’ te maken. Maar dat het boek zo’n golf van reacties zou losmaken, bij gewone lezers, hoofdredacteuren, collega's en columnisten, dat had ik nooit durven hopen. Na verschijning van HZNM ging ik de Vpro tv-programma’s Zomer- en Wintergasten presenteren, en daar leerde ik een vraag stellen die vaak wat oplevert: wat heeft je het meest verbaasd? Laat ik in dit hoofdstuk die vraag aan mezelf stellen en nalopen wat er sinds de verschijning van HZNM is gebeurd en niet gebeurd. Dat leidt automatisch naar de vraag hoe nu verder. De respons van gewone lezers op HZNM was waanzinnig. Tweehonderdduizend boeken is zo onvoorstelbaar veel, en minstens zo opmerkelijk was hoeveel jongeren het bereikte. Mensen schreven in brieven ‘normaal nooit zo’n soort boek te lezen.’ Dat deed me soms nog meer dan die herdrukken, want apathie en desinteresse zijn volgens mij een even grote bedreiging voor onze democratie als populisme en cynisme. Hoe deze enorme impact te verklaren? Mijn presentatorschap van Zomergasten moet een rol hebben gespeeld, omdat zo mijn naamsbekendheid enorm toenam. Maar dit kan niet de hele verklaring zijn, en het lijkt erop dat er een geweldige vraag is naar verhalen hoe media te werk gaan, naar journalistiek over journalistiek. ‘Ik kijk nooit meer hetzelfde naar het nieuws’, zeiden lezers tegen me, precies mijn woorden toen ik net in de journalistiek werkte en voor het eerst aan vrienden verslag uitbracht. In recensies op bol.com en Amazon.de komt steeds één woord terug: Eye-opener. Ik had soms de indruk dat burgers zich nu aan het emanciperen zijn tegenover de media, zoals dat in de jaren zestig ging tegenover de kerk en de politiek. In de keuzes die nieuwsmedia maken hebben ze invloed, ook wel definitiemacht genoemd, en burgers beginnen te eisen dat ook deze machthebbers verantwoording afleggen. Het viel me nu ook pas op hoe autoritair de nieuwsmedia in wezen zijn georganiseerd. Wij journalisten vertellen hoe het zit, en het publiek slikt het maar. Precies zoals tot de jaren zestig politici en geestelijken zich opstelden. Soms deden gewone lezers me wanhopig naar het hoofd grijpen, als ze vol rancuneuze trots schreven dat ze voortaan 'heus een stuk minder kranten zouden lezen' of zelfs alle nieuwsmedia de deur uit hadden gedaan. Terwijl mij pleidooi juist is om voortaan meer dan één krant te lezen, en ook eens op de Engelse Al-Jazeera het Journaal te kijken. Ik heb ook veel gelachen, bijvoorbeeld brieven met de strekking 'hou vol meneer Luyendijk, bij ons in de achtertuin zijn laatst UFO's geland en daar hoor je de media ook nooit over'. Een twintiger schreef dat ze was gestopt met haar werk in de zorg omdat ze niet kon leven met de kloof tussen de werkelijke gang van zaken in haar kliniek, en het beeld dat naar buiten werd opgehouden. Zij verwerkt haar ervaringen nu in een boek. Wat zou het geweldig zijn als er in Nederland meer tell-all boeken kwamen, over de media en de medische stand maar ook over de advocatuur, de ambtenarij, de rechterlijke macht, de politie en het leger! Geïntrigeerd was ik door wat juristen, interim-managers, beleidsambtenaren, diplomaten en militairen zeiden: 'Wij zijn ook correspondenten! Weliswaar met een ander publiek maar ook wij hebben te maken met een wirwar aan feiten, en moeten daarin filteren, vervormen en versimpelen, terwijl we worstelen met manipulaties, witte vlekken en onvermijdelijk partijdigheid in de weergave'. Wellicht ligt hier ook een deel van de verklaring voor de bizar hoge verkoop: HZNM gaat, onbedoeld, over de informatiesamenleving. Misschien heb ik de enorme verkoop ook wel te danken aan jonge moslims. Regelmatig hoorde ik van zo’n hoog opgeleide twintiger en dertiger, vaak de enige islamiet op diens werkvloer: 'Ik geef het al mijn collega's.’ Er reageerden ook veel politici, van vrijwel iedere partij. Daar had ik ook nooit echt over nagedacht: politici hebben geen tijd om lang in het buitenland te zitten. Zij baseren dus hun beeld van dat buitenland voor een deel op, daar hebben we ze weer, de media. In mijn gesprekken met politici kreeg ik niet de indruk dat ze werkelijk door hebben hoe ze met het huidige omroepbeleid (kijkcijfers bepalen steeds meer) de kwaliteitsjournalistiek op de publieke netten de nek om aan het draaien zijn. Verbazingwekkend vond ik de reacties op HZNM van columnisten en commentatoren. Hun werk bestaat eruit om jaar in jaar meningen te vormen en te verkondigen over Irak, Iran, het Heilige Land en Afghanistan: aanvallen of terugtrekken, boycotten of omarmen, vluchtelingen terugsturen of opnemen. Opiniemakers gaan zelden of nooit zelf naar het Midden-Oosten, en baseren hun meningen dus op de media. Als dan iemand constateert dat die media noodgedwongen een ernstig vertekend beeld van dat Midden-Oosten geven, dan… Ja, dan wat? Ik was erg benieuwd, want het gaat hier niet om meningen over een of ander BN'er relletje in kinderboerderij De Lage Landen. Maar in meerderheid negeerden commentatoren en columnisten de constateringen in HZNM, of schamperden dat er voor hen niets nieuws in stond. Niets nieuws? Als deze commentatoren altijd al hebben geweten dat hun opinies zijn gebaseerd op een structureel onvolledig en eenzijdig beeld, hoe kunnen ze dan zo zelfverzekerd hun meningen naar voren brengen? Waar verbergen zij hun twijfels? Een functionerende democratie kan niet zonder opiniemakers, mensen die op de Marktplaats der Ideeen hun waren aanprijzen, en zo burgers in staat stellen meningen te vergelijken. Maar het basismateriaal waarmee die commentatoren werken, de beeldvorming in de media, is sterk gekleurd. Dit is een reëel dilemma. Moeten we daar dan toch niet iets mee? Sommige opiniemakers schreven dat HZNM het populisme en cynisme zou voeden en het vertrouwen in instituties verder zou ondergraven. Dat is inderdaad bij sommige lezers gebeurd, zie hierboven. Maar een probleem verdwijnt toch niet door te stellen dat de agendering ervan ongewenste bijwerkingen kan hebben? Ik was in ieder geval opgelucht toen een aantal leraren geschiedenis en maatschappijleer liet weten dat HZNM bij hun in de klas verplichte kost is. Opmerkelijk vond ik de mengeling van oprechte welwillendheid enerzijds en defensief conservatisme anderzijds bij hoofdredacteuren en sommige collega’s. Nederland heeft een cultuur van consensus, van alle neuzen dezelfde richting uit. Als dan iemand uit de school klapt, kunnen de gevolgen ingrijpend zijn, kijk maar naar het lot van de klokkenluider in bijvoorbeeld de bouwfraude: die woont nu berooid en achtervolgd door justitie in een caravan. Ik had me daarom op het ergste voorbereid en me al schrijvend wel eens afgevraagd waarom ik niet gewoon een ‘normaal correspondentenboek’ bij elkaar aan het typen was. Maar mijn zorgen zijn tot nu toe ongegrond gebleken. Ik heb nog steeds hartelijk contact met de hoofdredacteuren en chefs wier beleid ik heb bekritiseerd. Ik mocht invalpresentator worden bij het prestigieuze programma Met het oog op morgen, en zowel bij het VARA programma De leugen regeert als bij Vpro’s Tegenlicht kon ik de conclusies uit mijn boek uiteenzetten. Het waren collega's die mij uitriepen tot Journalist van het Jaar, en collega's die me de Dick Scherpenzeel prijs gaven. Natuurlijk kreeg ik speldenprikken, en ontmoette ik oprechte gekrenktheid. Imago's worden gemaakt in de media, en dus bepalen journalisten zelf hun imago. Als dan een boek verschijnt dat een paar mythes doorprikt, is dat voor sommigen flink slikken. Sommige collega’s voelden zich ook voor schut gezet of knapten af, soms niet op wat ik had geschreven maar op wat mensen dachten dat ik had geschreven. ‘Sta ik op een feestje mezelf weer te verdedigen.’ Twee andere veel voorkomende reacties: Het is nog veel en veel erger dan jij schrijft. Jij pleit ervoor dat we onze discussies en dilemma’s op de nieuwsvloer delen met ons publiek. Maar voor zulke discussies hebben we nauwelijks tijd.' En: Wat jij heb meegemaakt in het Midden-Oosten heb ik precies zo gehad in Zuid-Afrika / Timor / China / Birma / Rusland’. Schrijf dat eens op, zei ik dan, maar dat is er zelden van gekomen. Nog een memorabele reactie: 'Zo'n boek als HZNM kun je ook schrijven over Den Haag!' Waarop ik zei: 'Doe dat dan!' Dat vond zo’n collega een goede grap en dan dronken we er nog één. Ook dat heeft me verbaasd: journalisten die bovenop een geweldig verhaal zitten hoe nieuws wordt gemaakt in Den Haag maar niet de aandrang voelen dat verhaal te brengen. Waarom bewaren wij journalisten onze beste verhalen zo vaak voor aan de bar? Maar ho eens even, protesteert nu de cynische lezer, heeft het journalistieke establishment je misschien heel gelaten omdat jij nooit echt hebt doorgebeten? Wat is er nu concreet gebeurd naar aanleiding van je kritiek? Moeilijk te zeggen. Ik heb nooit dieper willen bijten dan mij effectief leek. Mijn inschatting was dat juist de mensen die ik bekritiseerde, de veranderingen zouden moeten inzetten. Polarisatie zou dan twee effecten hebben gehad: de bekritiseerden worden beledigd en vernederd, en graven zich in. De polariseerder vestigt intussen de aandacht op zichzelf, in plaats van op de kwestie. Het heeft me wel verwonderd hoe lang het duurde voor er een debat kwam met hoofdredacteuren. Zoals ik het ook raar vind dat nog geen enkele hoofdredacteur een inhoudelijke reactie heeft geschreven van de omvang van, zeg, dit hoofdstuk. Als zoveel mensen een boek lezen, is het toch interessant om je daar als leidinggevende over uit te spreken? Gewoon puntsgewijs: a niet mee eens want b, x wel mee eens en dus z. Allemaal niet gebeurd, zoals de constatering uit HZNM over de onvermijdelijke partijdigheid van vocabulaire nog geen enkel medium heeft geïnspireerd tot een verklarende woordenlijst op de website: wij zeggen 'bezette gebieden teruggeven' en niet 'betwiste gebieden opgeven' want... Een debat over de voors en tegen van de omvangrijke Westerse steun voor Arabische dictators het centrale punt in de propaganda van Al-Qaida ik heb het niet gezien. En tijdens de Deense cartooncrisis werden close-ups van een paar boze baarden nu en dan weer vergezeld van zinnen als 'massale woede in de islamitische wereld'. Zo kan ik doorgaan met voorbeelden, maar dan schieten mij de namen te binnen van al die collega's die geweldig werk doen en al deden lang voordat ik leerde lezen en schrijven. Wat me heeft verbijsterd is dat geen enkel Nederlands medium een vaste correspondent in Kaboel heeft gezet - met uitzondering van de Volkskrant per begin 2008. Bijna alle filters, vervormingen, manipulaties, partijdigheid en versimpelingen die in HZNM de revue passeren, zag je terug in de berichtgeving over Uruzgan. Ondanks geweldig werk van mensen als Arnold Karskens, Antoinette de Jong, Joeri Boom en Harm Ede Botje domineerde het Ministerie van Defensie zeker het eerste jaar de nieuwsstroom over Uruzgan, in onderwerpkeuze (Afghaanse burgerdoden door NAVO bombardementen zijn geen groot nieuws), invalshoek (dit is een opbouwmissie) en woordgebruik (‘uitschakelen’, ‘elimineren’, ‘operatie’, ‘vijandelijke strijders’). Hoor & wederhoor in klassieke zin lukte niet want de Taliban hebben geen woordvoerders op afroep, terwijl bij gebrek aan correspondenten in Kaboel daar evenmin direct een tegengeluid vandaan kon komen. Het was de nasleep van elf september en de aanloop naar de Irakoorlog all over again en de oorzaak was volgens mij helder. De Nederlandse media beperkten zich veel te vaak tot de informatie van democratisch gecontroleerde instanties. In een democratie is dat een methode voor goede journalistiek, in een gebied als Afghanistan een recept voor tunnelvisie. Want vrijwel de enigen die zulke hapklare informatie brachten, waren Defensie, de NAVO en misschien de regering Karzai. Hoe ontwikkelde zich strategie en tactiek van de Taliban, wat was het verband tussen de gekozen militaire middelen door Nederland (van veilige hoogte bombarderen) en het aantal burgerdoden op de grond? Waarom zou een inwoner van Uruzgan met Nederland in zee gaan als we over een paar jaar weer weg zijn en hij is overgeleverd aan de Taliban? Hoe zien Afghanen onze 'aanwezigheid' en waarom gaat iemand bij de Taliban? Misschien heb ik het gemist, maar naar mijn idee werden deze vragen veel te weinig uitgediept, en ontstond zo opnieuw een sterk vertekend beeld. Mede op basis van dat beeld nemen landgenoten dienst in het Nederlandse leger, waar ze doden en sterven in een oorlog die ter plekke anders blijkt dan voorgespiegeld. De rillingen liepen me over de rug toen ik de militaire vakbond bijna hoorde smeken om het debat en beleid toch te baseren op de situatie zoals die in Uruzgan is, in plaats van op hoe Den Haag zegt dat de situatie is. Wie garandeert ons dat in Uruzgan zich niet een nieuw Srebrenica voltrekt of al heeft voltrokken? Er zijn 30.000 Nederlanders met wortels in Afghanistan en sommigen van hen moeten familie hebben in Uruzgan. Met inzet van nieuwe en onorthodoxe journalistieke methodes hadden deze Afghaanse Nederlanders een schat aan informatie en inzichten naar boven kunnen brengen, en een fantastisch tegenwicht kunnen bieden aan de nieuwsstroom van Defensie en het kabinet. Maar dan moet je als hoofdredactie eerst onderkennen dat in Afghanistan de journalistieke methodes van het Binnenhof niet genoeg zijn. Er is nog een hoop te doen en ik weet van talloze collega’s die vechten voor betere en complexere berichtgeving. Ze waren daar ook allang mee bezig voordat mijn boek verscheen want het is niet nieuw wat ik heb opgeschreven daarin hebben critici volledig gelijk. Nieuw is dat iemand het heeft opgeschreven, op een manier die blijkbaar toegankelijk was voor een groter publiek. In de kunst, de geschiedwetenschap en de sociale wetenschappen zijn de problemen bij vergaring en weergave van informatie zoals belicht in HZNM algemeen bekend. Nog even terug naar de kritiek. Ergens was het prachtig ironisch. Je schrijft een boek dat iedere boodschap vertekend zal doorkomen in de media, en drie keer raden: ook die boodschap komt vertekend door. Neem de tekst waarmee het boek dat u nu in handen heeft, Het maakbare nieuws, door de uitgever in de catalogus wordt aangeprezen: 'De journalistiek deugt niet. De media spelen met de waarheid. Journalisten manipuleren en misleiden. Joris Luyendijk schetst in...' Vergelijk dit met wat ik werkelijk schrijf in HZNM (blz. 217): “Klachten over de media gaan vaak over personen of organisaties die zich niet hebben gehouden aan de codes van de journalistiek. Die codes worden geschonden, zeker. Maar mijn ervaringen in het Midden-Oosten suggereren een dieper liggend probleem, namelijk dat de codes zelf niet voldoen.” Dat bedoel ik met onvermijdelijk gefilterd, vervormd, gemanipuleerd, versimpeld en partijdig. Het gaat mij dus niet om het falen van de journalistiek maar om het functioneren ervan, welke vertekeningen optreden juist als je je aan de codes en methodes houdt. Wie dit op zich in laat werken, zal net zo verbaasd als ik zijn over sommige kritiek. Bijvoorbeeld dat mijn eigen werk als correspondent de beste weerlegging zou vormen van mijn vaststelling dat journalistiek-westerse-stijl in dictaturen onmogelijk is. Onzin! Ook ik was in onderwerpkeuze, invalshoek, taalgebruik en keuze bij wie ik wel of geen hoor en wederhoor haalde, onontkoombaar partijdig. Ook ik belichtte wat afweek van het alledaagse waardoor lezers die onbekend waren met het alledaagse, de uitzondering (boze baarden) konden gaan aanzien voor de regel (moslims zijn eng). En ook ik moest me bij de beschrijving van dictaturen beperken tot wat bovengronds kwam (vrijwel niets) en waar controleerbare informatie over circuleerde (nog minder), behalve in rubrieken onderin pagina vier die veel te weinig mensen lezen om impact te hebben. Ik begrijp het nog steeds niet, waarom mensen niet zien dat in een dictatoriaal systeem dat overleeft bij de gratie van ondoorzichtigheid, de journalistieke methodes zoals beoefend in een open systeem als democratie, niet voldoen. Dit maakt journalistiek in dictaturen niet 'zinloos' en het is ook niet onze schuld dat wij dingen niet kunnen weten en objectief kunnen weergeven. Maar het is onze verantwoordelijkheid dit met ons publiek te delen, zodat dit publiek de informatie die wij wel brengen, beter kan plaatsen. Een ander verwijt luidde dat HZNM overdreven was, in de zin dat vooral werd ingezoomd op wat er allemaal mis gaat. Dit klopt, ik was blij dat dit werd benadrukt want ik noem dit probleem ook in de verantwoording van mijn boek. Zoals journalisten een selectie maken uit alle gebeurtenissen op een dag in het Midden-Oosten, zo maakte ik een selectie uit alle gebeurtenissen van vijf jaar beeldvorming over het Midden-Oosten. Dit zijn dynamieken inherent aan representatie. Waar het om gaat is openheid over de beperkingen waarmee je werkt, en helderheid over je keuzes binnen die beperkingen. Het is zo defensief, iemand afserveren met het argument dat hij zou overdrijven. Je kunt toch nog steeds ingaan op de constateringen die in jouw ogen niet overdreven zijn? Of is het zo dat je pas hoeft te reageren op een boek wanneer dit geen enkele waarneming bevat die in jouw ogen overdreven is? Of het verwijt: HZNM biedt geen oplossingen. Alsof het pas nodig is om te reageren op kritiek op je vak, als er kant-en-klare oplossingen worden bijgeleverd. Ik geloof dat de media alleen vrij kunnen zijn in een systeem van zelfregulering. Maar dat betekent dat je driedubbel scherp en alert moet zijn op je eigen functioneren. Het is begrijpelijk als journalisten bij kritiek hun straatje willen schoonvegen, dat doen ambtenaren, politici of voetbaltrainers ook. Het verschil is dat er bij een cover-up door ambtenaren, politici of sporters altijd nog journalisten zijn die aan de bel trekken. Journalisten controleren de macht, maar wie controleert de controleurs? Dat sluit aan bij een ander verwijt dat me raakte: 'Het gaat al zo slecht en dan val jij ons in de rug aan'. De teloorgang van serieuze nieuwsmedia gaat mij als journalist en democraat aan het hart. Ik heb een paar jaar in Egypte gewoond, een land zonder serieuze nieuwsmedia en heus, zo’n systeem is niet waar ik van droom. Maar juist daarom denk ik moet je als beroepsgroep je eigen kritiek moet organiseren, permanent en in het openbaar. Door de technologie en globalisering is ons lot meer dan ooit tevoren verbonden met dat van de rest van de wereld. Het buitenland is dus nog nooit zo belangrijk geweest in het leven van een gemiddelde Nederlander als nu. Toch is belangstelling voor buitenlands nieuws in kranten en op tv tegenwoordig kleiner dan ooit. Zou het kunnen dat de vraag er wel is, maar dat wij niet de informatie leveren waarom lezers zitten te springen? En dat het opener levellen met ons publiek een essentiële stap in de goede richting is? Wie weet loopt de weg uit het dal juist via een fundamentele discussie, uitmondend in een grondige herziening van genres en methodes. Nieuws is wat afwijkt van het alledaagse, maar wat nu als je door globalisering en technologische veranderingen het alledaagse eigenlijk niet meer kent of snapt? Moet journalistiek niet veel pakkender gaan uitleggen in wat voor wereld we leven, in plaats van zich primair te richten op wat er anders of ‘nieuws’ is ten opzichte van gisteren of vorig jaar? Meer en meer ben ik ervan overtuigd geraakt dat de nieuwsindustrie in ieder geval nog voor een deel in de twintigste eeuw leeft. Dit is de tijd van globalisering maar correspondentschappen zijn nog steeds nationaal georganiseerd; onze man in Parijs, Berlijn, Moskou. Misschien moeten er ook correspondenten ‘klimaatverandering’ komen, correspondenten ‘migratie’ en ‘Europese verkiezingen’ en ‘epidemieën’ en ‘water’ en ‘energie’. Dit is ook de tijd van Internet dus is het een idee om lezers via Internet te consulteren in welke Kwestie zij willen dat een sterverslaggeefster het komende jaar haar tanden zet? Dit is ook de tijd van de mondige burger, dus wat is er tegen om vaker en diepgaander verantwoording af te leggen? Bijvoorbeeld een jaarlijkse terugblik over de accenten in de berichtgevind: waarom zoveel aandacht voor Israëlische mensenrechtenschendingen en zo weinig voor Russische, terwijl die Russische zoveel groter zijn? En een overzicht van missers en verkeerde inschattingen zoals The Economist en de Amerikaanse columnist William Safire doen? Nog altijd zijn nieuwspagina’s in de krant ingedeeld in nieuwsbericht, analyse en reportage. Kunnen we hier alles in kwijt? In NRC.next licht de hoofdredacteur nu dagelijks zijn keuzes toe, dat zijn fantastische stukjes. Stel je voor wat je als chef buitenland allemaal zou kunnen vertellen in zo’n column annex leeswijzer, in een balk rechts op pagina vijf. Wat kwaliteitsjournalisten in de 21e eeuw te bieden hebben is niet informatie, want dankzij Internet heeft iedereen informatie. Kwaliteitsjournalisten onderscheiden zich, zowel van hun publiek als van collega's bij gratis kranten en onderbezette infotainmentprogramma's, door hun vermogen informatie te doorgronden, te wegen, in een context te plaatsen. Het nieuwsmedium dat journalistieke methodes ontwikkelt om dat unique selling point te gelde te maken, wacht volgens mij een glorieuze toekomst. Want nog nooit in de geschiedenis was informatie zo waardevol als nu - het woord informatiesamenleving zegt het al. Dat verbaast me misschien wel het meest. Waarom wij journalisten niet afstand doen van die impliciete beloftes waarvan we zelf weten dat ze nergens op slaan: wij overzien niet de hele wereld, we weten niet zeker wat er allemaal gebeurt, en wij kunnen niet objectief zijn. Is het niet veel logischer om onze onvermijdelijke beperkingen te omarmen? Juist in de uitleg waarom we onderwerpen kiezen, invalshoeken nemen, woorden gebruiken, vragen stellen en accenten leggen, kunnen we ons publiek van alles vertellen over de wereld. Waarom betrekken we ons publiek niet in onze twijfels, en nodigen we hen uit om mee te denken? Dan ben je ook meteen van die rare kramp af waarin we schieten als wij als het ook niet weten; de witte vlekken op de kaart. En nu we toch bezig zijn. Ik doe het in dit hoofdstuk ook weer, maar we moeten volgens mij echt af van het containerbegrip ‘de media'. Het kan zijn dat werknemers bij NRC Handelsblad en RTL Boulevard zichzelf allebei journalist noemen, maar de verschillen tussen beide organisaties zijn groter dan de overeenkomsten. Zodra we een conceptuele scheiding maken tussen pretmedia als RTL Boulevard en Spits aan de ene kant en informatiemedia als NRC en Nova aan de andere, kunnen laatstgenoemden ook veel scherper eerstgenoemden gaan volgen. Al blijft de vraag wie dan weer NRC en Nova gaan controleren. Meer dan ooit oefenen leiders nu macht uit via 'de' media. Als je de macht controleert, moet je dus ook de media controleren, nationaal en internationaal. Kijk naar de leugens rond de Irakoorlog, en de rol die sommige nieuwsmedia speelden bij de verspreiding ervan. We moeten toonaangevende internationale media net zo kritisch gaan volgen als de leiders die erop verschijnen. Want media als CNN en BBC hebben immense impact en als zij liegen of leugens onkritisch doorgeven, heeft dat politieke gevolgen. Wat zou het interessant zijn als de creatiefste journalistieke geesten van het land gingen brainstormen over nieuwe journalistieke methodes! Kijk eens hoe de amusementsindustrie op televisie zich iedere paar jaar vernieuwt. Waarom kunnen wij dat niet? Ik ben ervan overtuigd dat er nieuwe methodes zullen komen, en als het zover is, zal iedereen zeggen: hoe deden we het ooit zonder? Ja, een mens haalt zich wat in het hoofd terwijl hij op ministeries en in bibliotheken, universiteiten, middelbare scholen, kerken en adviescentra steeds hetzelfde verhaal opdreunt over Mechanismen. Bij Beeldvorming. Over het Midden-Oosten. Ik wil afsluiten met mijn toekomstdroom, maar niet voordat ik ben ingegaan op drie punten van kritiek die ik me zeer heb aangetrokken. De eerste beschaamt mij het meest. Op blz. 214 van HZNM beschrijf ik de val van Bagdad, in het bijzonder het omtrekken van een groot standbeeld van Saddam Hussein op Fardoes-plein. Ik beweer dan dit tafereel van ‘A tot Z in scène was gezet door een officier van de afdeling psychologische oorlogvoering van het Amerikaanse leger’. Dit klopt niet. De Nederlandse journalist Arnold Karskens was erbij en heeft verklaard dat het omtrekken spontaan gebeurde. Het was niet het spontane volksfeest dat vooral Amerikaanse en Britse media ervan maakten, maar vooraf uitgedokterd was het evenmin. Het spijt me bijzonder dat ik pas na een klein jaar deze grote onjuistheid ontdekte en in nieuwe kon rechtzetten, want toen waren al heel wat boeken verkocht terwijl ik tijdens lezingen ook vaak had verteld over dat tafereel op Fardoes-plein. Collega’s van de NOS hebben er volkomen terecht op gewezen dat mijn analyses van de televisie soms nogal schetsmatig waren. Dat is een gevolg van mijn beperkte ervaring met dit medium, en ik kan slechts hopen dat er snel een collega die er dieper op ingaat. Een derde punt is meer een kanttekening. Volgens sommige experts verschillen dictaturen en democratieën niet zo absoluut als ik dit voorstel. Daar is veel voor te zeggen, van de andere kant: Ik ben niet bang dit hoofdstuk te schrijven, de uitgever is niet bang het uit te geven, en u bent als lezer niet bang dit boek te bezitten. Angst heb je of je hebt het niet, zoals je zwanger bent of niet. Dat is toch een absolute scheiding. Overigens weten ook in democratieën journalisten vaak niet wat er speelt, zie hoe The Economist kort voor de Fortuyn-revolte Nederland beschreef als een oase van tevredenheid. Laat ik eindigen met mijn lange termijn toekomstdroom: Joris Luyendijk, gedecoreerd nestbevuiler, hoopt dat in de komende jaren de kwaliteitsjournalistiek zo verandert, dat over een jaar of acht een slimme Havo-scholier HZNM uit de boekenkast van zijn ouders vist, begint te lezen en al na een paar hoofdstukken vertwijfeld denkt: werkten massamedia rond de eeuwwisseling echt zo? Rare tijd zeg. |
||||